Geschiedenis

Al in de 19de eeuw werd voor het eerst geprobeerd om hoorn­vlies­weefsel te transplanteren. Die pogingen hadden echter niet veel succes, omdat er onvoldoende kennis bestond over de werking van de verschillende weefsellagen van het hoornvlies. Tegen het einde van de 19de eeuw lukte het wel om enkele succesvolle lamellaire transplantaties te verrichten. Pas in 1906 werd de eerste geslaagde transplantatie van alle lagen van het hoornvlies beschreven. Een groot probleem vormde de afstotingsreactie, die optrad wanneer het donorhoornvlies andere weefseleigenschappen had dan het hoornvlies van de ontvanger. Bij een afstotingsreactie wordt het hoornvliesweefsel troebel. De eerste inzichten hierover ontstonden pas in de jaren ‘50.

Het duurde echter tot de jaren ’60 alvorens men voldoende kennis over de stofwisseling van het hoornvlies had ontwikkeld om de problemen van het troebel worden van het hoornvlies te kunnen begrijpen. Om mooi helder te zijn bevat het hoornvlies geen bloedvaten die zuurstof en voedingsstoffen naar de cellen brengen. Zuurstof en voedingsstoffen worden opgenomen uit het kamerwater van de voorste oogkamer. Zuurstof wordt bovendien uit de buitenlucht opgenomen. Zuurstofopname uit het kamerwater wordt bereikt door een voortdurende vocht­stroom uit de voorste oogkamer naar het hoornvlies en terug. De pomp­functie die hiervoor nodig is, wordt geleverd door de cellen van de endotheellaag. Functioneren zij niet goed, dan hoopt zich vocht in het hoornvlies op, waardoor het troebel wordt.

Tegelijk met het inzicht hierin ontwikkelde zich de microchi­rurgie. Dit betekent het opereren met behulp van een micro­scoop met gebruik van veel fijner instrumenta­rium en veel dunnere nylon hechtdra­den dan voorheen. De resultaten verbeterden hierdoor ziender­ogen.

Tot rond 1980 werd bij hoornvliestransplantaties meestal gebruik gemaakt van vers donorweefsel afkomstig van iemand die uiter­lijk 24 uur daarvoor was overleden. Zo’n hoornvlies moest binnen een dag worden getransplanteerd bij een inder­haast opgeroepen patiënt. Hoornvliestransplantaties hadden hierdoor noodgedwongen altijd het karakter van een spoedoperatie. Sinds 1980 is een bewaarmethode voor hoornvliezen in gebruik. Het donorhoornvlies wordt in een bewaarvloei­stof geplaatst en in een broedstoof bij 340 Celsius bewaard. Het weef­sel blijft dankzij de voedings­stoffen in de bewaarvloei­stof drie tot vier weken in goede conditie. Voordelen zijn, dat er tijd is om de bin­nenste cellaag (endo­theel) onder de micro­scoop op kwali­teit te beoordelen en om onder­zoek te doen naar de weef­sel­ken­merken van de donor ter voorkoming van afstotingsre­acties. Bovendien kunnen de operaties langer tevoren worden gepland.